Als kind denk je dat je ouders het eeuwige leven hebben. Maar er komt een moment waarop je tot de ontdekking komt dat ze oud en broos worden en het einde misschien wel dichterbij is dan je denkt.

Ik zit in de auto en ben stiekem best wel zenuwachtig. Vandaag ga ik met mijn ouders praten over hun levenseinde. Een gesprek dat ik al heel lang uit de weg ga. Van mijn partner weet ik precies wat hij wel en niet wil. Ik weet dat hij geen levensrekkende behandelingen wil als hem iets ernstigs overkomt, we hebben een testament waarin alles met betrekking tot huis, kinderen en erfenis is vastgelegd en ik weet zelfs in grote lijnen hoe zijn uitvaart er uit zou moeten zien. Maar van mijn ouders? Ja, ze beginnen er wel eens over. Als ze weer eens bij een begrafenis van een van hun vrienden of familieleden zijn geweest. En dan maken ze ook wel opmerkingen over hun eigen uitvaart, maar die wuif ik dan altijd lachend weg. Doe niet zo raar. Zo ver is het nog lang niet! De afgelopen periode heb ik in mijn vriendenkring geïnformeerd. We zijn allemaal veertigers en hebben ouders die in de zeventig zijn. Eigenlijk komen de verhalen in grote lijnen op hetzelfde neer. We weten wel dat onze ouders niet het eeuwige leven hebben. Sterker nog, we weten dat dat einde wel eens dichterbij zou kunnen zijn dan we denken. Maar we praten er liever niet over. Als kind zijn je ouders de eerste en enige constante factor in je leven. Je kunt je niet voorstellen dat ze er op een dag niet meer zullen zijn. En dat blijft blijkbaar zo, ook als je zelf volwassen bent, kinderen hebt en je ouders broos en breekbaar worden.

De rollen omgekeerd
Een vriendin maakte het onlangs mee met haar schoonouders. Haar schoonmoeder was al langer aan het dementeren en opgenomen in een verzorgingstehuis. En toen overleed plotseling haar schoonvader. De hele familie was in rep en roer. Iedereen was ervan uit gegaan dat schoonmoeder als eerste zou sterven en dat haar nog zo fitte man dan precies wist wat te doen. Maar nu waren de rollen opeens omgekeerd. Er moest van alles worden geregeld, maar niemand wist precies wat. Was er eigenlijk wel een uitvaartverzekering, een testament en wat waren zijn laatste wensen? ‘We wisten zelfs niet eens of hij gecremeerd of begraven wilde worden en mijn schoonmoeder kon het niet meer vertellen’, vertelt mijn vriendin. ‘Er bleek niets geregeld te zijn en dus moesten we zelf aan de slag. Dat leidde tot grote onenigheid in de familie: over de afscheidsdienst, de erfenis, de verkoop van het huis. Uiteindelijk heeft mijn man, de oudste in het gezin, zijn schouders eronder gezet en alles in goede banen weten te leiden. Maar zoiets hopen we nooit meer mee te maken.’
Alleen al dat verhaal zet me aan het denken. Mijn vader is 76, mijn moeder 74. Ze zijn allebei nog relatief gezond, ook al heeft mijn vader zeven jaar geleden wel een hartinfarct gehad. Maar na twee bypasses en een dagelijkse dosis medicijnen lijkt alles onder controle. Mijn moeder is meer van de kwaaltjes: klaagt over pijntjes hier en daar en ik merk wel dat ze alles wat minder goed kan onthouden. Maar om nou te zeggen dat ze binnenkort dood zullen gaan? En wie dan als eerste zou kunnen gaan? Ik wil er niet aan denken, laat staan erover praten. Ze gaan nog steeds met de caravan op vakantie, ook al ligt de camping steeds dichter bij huis, rijden auto, doen hun boodschappen, koken eten, zorgen goed voor zichzelf. Geen enkele reden om je zorgen te maken dus. Of toch wel?
Mijn ouders denken daar zelf anders over. Ze bezoeken tegenwoordig vaker begrafenissen dan bruiloften en weten heel goed dat zij de volgende kunnen zijn. Ze hebben al meerdere malen opmerkingen gemaakt over hun eigen afscheid, maar ik ben daar nooit verder op ingegaan. Dat zien we dan wel weer, roep ik dan.

Alles geregeld
Nu ga ik dus naar ze toe om alles, maar dan ook alles, door te spreken. Ik zie er tegenop. Mijn ouders daarentegen, lijken opgelucht als ik aankom. Op de tafel liggen verschillende stapeltjes papieren klaar en mijn moeder steekt meteen van wal. ‘In feite is alles geregeld, maar je moet natuurlijk wel weten wat dat precies is en waar je het kunt vinden.’ Mijn vader pakt het eerste papier. ‘Dit is de uitvaartpolis. Daarin hebben we al in grote lijnen aangegeven wat we wel en niet willen. Het grootste deel van de kosten wordt gedekt door de verzekering, maar het zal niet genoeg zijn. Daarom staat er op onze spaarrekening nog een bedrag voor de extra kosten. We willen allebei graag gecremeerd worden, en de uitvaartdienst moet sober. Geen poeha, geen kerk, geen uitgebreide koffietafels. We hebben altijd sober geleefd, zo willen we ook gaan.’
Zo, dat is eruit. Ik kijk naar mijn moeder. Ze knikt en glimlacht. ‘Ik vind het fijn dat je hier bent om erover te praten. Het geeft ons zo veel rust om te weten dat alles goed geregeld is. Ik hoop dat we nog heel lang leven, maar er komt een keer een einde aan, dat weten we allemaal. Ik weet niet wie van ons het eerst zal gaan, dus daarom moesten we samen al het nodige regelen. Maar het is ook prettig om te weten dat jij, als onze oudste dochter, ook weet wat we wel en niet willen. Als er nu iets met je vader zou gebeuren, weet ik niet of ik sterk genoeg ben om alle beslissingen te nemen die dan moeten worden genomen. Hetzelfde geldt voor je vader. Daarom is het fijn dat jij ook weet wat er moet gebeuren. Dat is voor ons een hele zorg minder.’
We zijn een beetje wakker geschud door het overlijden van mijn jongste broer, jouw oom Jan, een paar jaar geleden’, vult mijn vader aan. ‘Er was nog niemand in de familie doodgegaan en toen kreeg hij opeens kanker. Terwijl hij de jongste van de familie was. Het ging zo snel en die ziekte kwam zo hard op hen af, dat ze nog niet eens tijd hadden om na te denken over het afscheid. De hele familie was in shock en wij ook. Als zoiets je jongste broer overkomt, ga je zelf ook nadenken over je eigen leven. Toen zijn we eerst maar eens samen gaan zitten om de boel te regelen. Daarna hebben we wel geprobeerd om er met jou over te praten, maar jij wilde van niets weten. Omdat we niet wisten of dat ooit nog zou gebeuren, hebben we maar mapjes gemaakt zodat je alles in ieder geval gemakkelijk kunt vinden als er met een van ons, of met ons allebei, iets gebeurt.’

Adressenlijst
En dus gaan we verder met de stapeltjes papieren die op de tafel liggen. Het testament waarin geregeld is dat de partner die achterblijft in het huis kan blijven wonen, de polissen van de levensverzekeringen en pensioenen, papieren van de hypotheek, een overzicht van de maandelijkse vaste lasten. Er is zelfs een lijstje waarop staat hoe de meest dierbare bezittingen van mijn ouders tussen mij en mijn broer moeten worden verdeeld. ‘Dan hoeven jullie daar alvast geen ruzie over te maken’, grapt mijn vader, verwijzend naar de vele kibbelpartijen die mijn broer en ik in onze jeugdjaren hadden. Alles zit in keurige mapjes met stickers erop die duidelijk aangeven wat erin zit. Er is zelfs een complete adressenlijst van iedereen die een rouwkaart moet ontvangen. ‘Ja, lacht mijn moeder. Zoals je weet houdt je tante Ria alle adreswijzigingen van de hele familie bij. Vroeger voor de trouw- en geboortekaartjes, maar tegenwoordig blijkt die lijst ook heel handig als er iemand dood gaat. Ik heb er zelf een lijstje bij gedaan van onze persoonlijke vrienden en kennissen. Want ja, begin daar maar eens aan als een van ons beiden plotseling overlijdt.’
Het gesprek duurt uiteindelijk niet eens zo heel lang. Ik had me voorbereid op emoties en moeizaam geformuleerde zinnen, maar het ging juist heel gemakkelijk. Ik merk dat ik zelf
eigenlijk ook wel opgelucht ben dat het onderwerp nu op tafel is geweest. Met een tevreden gevoel rijd ik naar huis. Het levenseinde van mijn ouders is opeens niet meer iets dat als een soort dreigend zwaard van Damocles boven mijn hoofd hangt. Ik ben er niet meer bang voor omdat ik weet wat me dan te doen staat.

Tekst: Antoinette Jacobs

 

Deel op:

Laat een reactie achter

dima