Mylou Frencken (49) verloor tien jaar geleden haar man Bert Klunder en staat voor het tweede seizoen met de RouwRevue op de planken. “Ik wil laten zien dat er een uitlaatklep is voor rouw. Zing, dans, schreeuw het eruit.” Voor toBe vult de cabaretière algemene wijsheden over leven en dood persoonlijk in.

Van het concert des levens heeft niemand een program
“Dat je nooit weet wat er komen gaat, is nou juist zo spannend. En leuk. En ook zo afschuwelijk. In de chaos die het leven is, moet je pijlen vinden die de goede richting aangeven. Nou ja, niet eens de goede. Richting. En wanneer je weet dat het hélemaal de verkeerde kant is, moet je het lef hebben om huppekee, de andere kant op te gaan. Ik kan een heel eind verkeerd afslaan en er dan uiteindelijk achter komen dat ik weer terug moet. Dan ga ik stil in mijn huis zitten en terug naar de mensen bij wie ik me prettig voel. Je moet weer voelen wat goed voor je is. Een vriendin van mij zit nu heel erg in de rouw. Ze heeft vorig jaar haar man verloren. Ze weet niet meer waar ze blij van wordt, waar ze zin in heeft. Dat hoort ook zo ontzettend bij rouw. Je hebt wel energie, maar je weet niet meer waar je vrolijk van wordt. Ik heb dat ook heel lang gehad. Om zichzelf weer te ontdekken en haar leven structuur te geven, geeft zij nu alles wat ze doet een rapportcijfer. Een vergadering, een saunabezoek, een etentje… Alles met een acht moet ze vaker doen. Zul je net zien dat dat het saunabezoek is, nou niet echt de makkelijkste activiteit…

Het is natuurlijk een cliché, maar er zou niks aan zijn als iedereen het programma al had. Want dan héb je dat programma, en zijn de musici hun viool vergeten. Zul je net zien. Je zou eigenlijk overal op voorbereid moeten zijn, maar dat kan gewoon niet. Het is belangrijk om er een beetje vertrouwen in te hebben en zoveel mogelijk lol te hebben. Ik denk vaak: ‘Waarom heb ik me niet wat beter voorbereid?’. Voor dit interview bijvoorbeeld. Ik had natuurlijk even moeten bedenken wat ik wil zeggen. Maar nee. Ik heb een zeer sterke neiging om niets voor te bereiden en niets vast te leggen. Ik wil mezelf en anderen zoveel mogelijk verrassen. Ja, dat is leuk. Maar het is ook een beetje lui. Bert, die gekke Alkmaarder met z’n carrière als regisseur en cabaretier, ontmoette ik nota bene in Indonesië. Nooit gedacht dat het leven me daarheen zou voeren. Ik zat in het eindexamenjaar van de kleinkunstacademie en logeerde met een vriendin bij kennissen in Jakarta. Het bleek dat Brigitte Kaandorp daar ook te gast was. Met haar regisseur… Bert. We hebben een avond met z’n allen doorgebracht. Dat was ontzettend gezellig. We bleken veel dezelfde mensen te kennen. Weer in Nederland vroeg ik of hij mijn eindexamenvoorstelling wilde regisseren. En zo is het gekomen.

Ik ben ook verrast door het feit dat ik zomaar piano kon spelen. Ik wist dat ik kon tekenen en leuke tekstjes kon schrijven. Maar de piano had nog geen onweerstaanbare aantrekkingskracht op me uitgeoefend. Totdat mijn vader op zijn veertigste besloot dat hij piano wilde leren spelen. Er kwamen een piano en een leraar, maar mijn vader kon er geen hout van. Op een goede dag, ik was elf, ben ik achter dat ding gaan zitten. Ik bleek er gevoel voor te hebben. ‘Die kleine hoort alles’, zei de pianoleraar. Ik nam de lessen van mijn vader over en vanaf toen was er een heel leuk nieuw ding in mijn leven. Elke dag oefende ik urenlang. Het meest gelukkig ben ik als ik achter de piano zit en een goed liedje heb geschreven. Het is heel lang ploeteren. Echt door de smurrie. Twijfel, niet weten hoe het verder moet. Maar als het af is, voel ik me dagenlang zo ontzettend blij. Ik weet dat dat moment komt, die fase vooraf moet ik ervoor overhebben. En na de dood van Bert heb ik mijzelf verrast door de snelheid waarmee ik weer de liefde indook. Na een maand was ik alweer verliefd. Ik wilde zo graag gelukkig worden. Het was een verwarrende tijd geweest en ik had zin in het leven. Ik was 39. Nog jong, veerkrachtig genoeg om weduwe te worden.”

Over de doden niets dan goeds
“Bert was groot. In alle opzichten. Ik was net klaar met mijn opleiding, hij was regisséur! Dat zegt genoeg. Hij was ambitieus en kritisch. Ik genoot van zijn humor. Onder zijn vleugels ging ik het podium op. Als ik een tekst schreef, las ik vanaf de eerste zin alles aan hem voor om te checken wat hij ervan vond. Die manier van werken en leven ging heel lang goed, maar op een gegeven moment werkte zijn hulp tegen. Ik wilde, net als Bert, ook van alles op dat toneel. Ik had me laten leiden door wat hij belangrijk vond en daardoor had ik ingeleverd. Dat wilde ik niet meer.

Door zijn dood leek de strijd die ik voelde opgelost. Maar ik zat nog met al die emoties. Er waren dingen die ik met Bert wilde uitpraten. Het was ontzettend verwarrend. Ik was opeens weduwe en alleenstaande moeder van een dochter van tien. Dat had ik absoluut niet zo bedacht. En toen werd ik ook nog eens zo snel weer verliefd. Ik voldeed volstrekt niet aan het beeld dat ik had van een rouwende vrouw. Ik dacht dat ik huilend op de bank moest zitten, maar ik wilde léven! Ik wist niet hoe het moest, rouwen. Door de column die ik mocht gaan schrijven voor het tijdschrift Esta, werd ik gedwongen om te gaan zitten en voelen. Dat hielp me. Ik had tijd en rust nodig om te ontdekken dat ik Bert wel heel erg miste. Ik moest hem blijkbaar eerst van me afduwen. Dit is ook een reden waarom ik de RouwRevue wilde maken. Hoe besta je na? Mensen lopen maar rond met die rouw. Ik wil laten zien dat we het kunnen delen met elkaar. Dat er een uitlaatklep voor is. Zing, dans, schreeuw het eruit. Héb het erover. Ik vind het mooi om mensen naar gebieden te brengen die ze een beetje hadden afgesloten. Hen te laten voelen en op nieuwe gedachten te brengen. Rouw is zo’n wezenlijk onderwerp. Maar het blijft lastig, hoor. Op het toneel hou ik een tirade over de teksten die mensen schrijven om je een hart onder de riem te steken. Maar als ik zelf een kaart wil sturen naar iemand die een dierbare heeft verloren, weet ik het ook niet en zit ik dágen te worstelen omdat ik het zo graag goed wil doen.

Ik voel me nog steeds gesteund door Bert. Hij is er nog steeds. Dat vind ik ook een prettige manier van omgaan met zijn dood. Ik heb hem zo lang gekend. Hij kan er niet ineens níet meer zijn. Grappige dingen lees ik nog steeds aan hem voor. Ik kan ineens een sketchje opzetten in de woonkamer waar ik heel hard om moet lachen, maar waar Frénk, mijn nieuwe liefde, helemaal niks aan vindt. Dan mis ik Bert, omdat ik weet dat hij direct had meegedaan. Bert zit in mij, en ontzettend in de dochter die we samen hebben. Dat kun je alleen al zien aan de buitenkant. Bert hoort nu eenmaal bij de mensen die je niet zomaar weg krijgt. Zijn boude uitspraken galmen ook nog jaren na. Was ik na zijn dood van Alkmaar terug naar Haarlem verhuisd, kreeg ik nog steeds post voor de heer B. Klunder. Daar moest ik erg om lachen. Het paste zo goed bij zijn halsstarrige karakter.”

Wie dan leeft, wie dan zorgt
“Ik zou schaamtelozer willen zijn. Minder eromheen draaien, directer zijn. Ik zou meer willen zingen zoals de Braziliaanse zangeres Elis Regina. Zij zit zo dicht op het gevoel dat ze naar buiten wil brengen. Ik wil daar ook zo puur mogelijk in zijn. Ik had een tijd moeite met schrijven omdat ik het al snel geouwehoer vond. Maar nu associeer ik meer. Ik denk vrijer. Smakeloze zinnen die precies het gevoel weergaven, durfde ik nooit op papier te zetten. Maar dat doe ik nu wel. Polijsten kan altijd nog. Toch heb ik wel een afkeer van sentimentaliteit. In mijn volgende voorstelling onderzoek ik dat. Wat hou ik nou precies af? Ik ben zelf altijd de eerste die zit te huilen bij een mooi lied of een mooi verhaal. Maar het zelf overbrengen… Dat vind ik een beetje eng. Dan kies ik toch snel voor mooi of gewiekst. Misschien juist omdat ik snel in tranen ben. Of omdat ik als kind heb geleerd mij stoerder voor te doen dan ik was. We zorgden er thuis vooral voor dat we niet werden uitgelachen. Als klein kind was ik ontzettend open. Maar misschien heb ik me één keer te vaak uitgelachen gevoeld, waardoor ik bij het ouder worden gêne ontwikkelde over alles wat ik voelde. Pianospelen, zingen, op het podium staan: het is natuurlijk allemaal een manier om weer open te kunnen zijn.

Maar ik denk ook dat ik iemand ben die goed kan leven met gemis. Ik denk dat ik als kind al dingen miste en dat ik daaraan gewend ben geraakt. Ik was de oudste thuis en kreeg veel aandacht. In mijn eerste jaren nam mijn vader me overal mee naar toe. Naar het café, naar het Waterlooplein. We gingen altijd leuke dingen doen. Mijn vader overleed twee jaar na Bert. Hij was een erg leuke vader voor kinderen tot een jaar of vijf. Mijn zusje stond een keer met een vriendinnetje en een shetlandpony voor de deur en hij zei: ‘Kom binnen’. Stond die pony in z’n werkkamer. Maar toen we ouder werden, wist hij het niet meer en werd het contact ingewikkelder. Om bij hem te blijven, ging ik een beetje in hem op. Was hij bang voor de skilift, dan stapte ik er ook niet meer in. Dat ik goed kan leven met gemis heeft misschien ook wel hiermee te maken, met het missen van die vader.”

Tot de dood ons scheidt
“Als ik dood ben, is mijn dochter in haar eentje. Dat vind ik helemaal niet leuk. Ik hoop dat ze dan een groot netwerk om zich heen heeft verzameld met wie ze het kan hebben over die lastige moeder van haar. En dat daar mensen tussen zitten die mij en haar vader nog hebben gekend. Op mijn begrafenis mag ze roepen wat ze wil. Dat ik heel lief en leuk was, natuurlijk, maar als ze vindt dat ik er af en toe een zooitje van maakte, hoeft ze dat niet te verzwijgen. Want je kunt er van alles van zeggen, van het leven van die weduwe-met-puberdochter, maar saai was het niet. Haar vader viel weg, we werden een gezin met z’n tweeën. Ik heb Bert heel erg gemist in de opvoeding. Het is hartstikke zwaar om steeds het gevoel te hebben vader en moeder tegelijk te zijn. Er is zoveel waarover ik wilde overleggen: zakgeld, naar welke middelbare school ze zou gaan. Dat besprak ik nu met mijn zwager en broer, maar toch.

Voor dochterlief en mij was het onderwerp Bert, zijn dood, soms ook gewoon te groot. Ik vond het erg voor haar dat ze haar vader moest missen. We gingen soms heel houterig met elkaar om. Dan wilde de een erover praten en de ander niet. Het is nog steeds lastig. Ik ben nu gelukkiger dan tien, vijftien jaar geleden, omdat ik meer mijn eigen leven leid. Maar het was een zoektocht en daarin heb ik veel van mijn dochter gevraagd. Als ik verliefd werd, vreesde zij voor haar positie. En dan werd het met die liefde niks, omdat ik geen ster was in het uitzoeken van mannen die goed voor mij waren. Ik wilde vooral goed zijn voor die mannen. Opzijgaan voor iemand zit er diep in bij mij. Ik heb geleerd meer ruimte in te nemen. En nu heb ik een ontzettende lieve man die het leven makkelijker maakt en bij wie ik zo stom kan zijn als ik ben. Maar het was en is voor mijn dochter niet altijd makkelijk. Dus je moet op zo’n begrafenis niet te veel achterhouden. Eerlijk zijn. Er zijn ook wel positieve dingen te noemen, hoor. Ik ben trouw. Gul ook. Ik denk dat ik aan het eind van mijn leven veel heb gegeven, in de zin van ‘er kan veel en ik veroordeel niks’. En dat ik in al het zwarte altijd een licht aandeed. Daarna mag iemand mijn eigen lied Vier seizoenen zingen, het favoriete lied van mijn vader.

‘Op mijn begrafenis mag mijn dochter zeggen wat ze wil. Ook als ze vindt dat ik er af en toe een zooitje van maakte’

Tekst: Maaike Kuyvenhoven & Laura Thuis
Fotografie: Anne Hamers
Visagie: Ingrid Burger van Colorcrew.nl

 

Deel op:

Laat een reactie achter

dima