Na het geheimzinnige overlijden van zijn broer Paulus, reist zijn jongere broer Rob naar Curaçao om afscheid te nemen. Hij vindt er herkenning, overeenkomsten en zielsverwantschap die tijdens hun gezamenlijke leven onbereikbaar leken. Hoe twee broers die ieder mijlenver bij elkaar vandaan op hun eigen emotionele eiland leefden, elkaar vonden na de dood

De woorden van mijn 81-jarige moeder sneden door merg en been en trokken vervolgens een open wond in mijn 49-jarige ziel. Ze had al twee keer gebeld, vlak achter elkaar, zo zag ik later op het schermpje van mijn telefoon. Maar ik was druk met onzin, met banken, interviews, gereutel in de marge en belde haar schuldbewust pas terug nadat alle onzin was opgelost: ‘Paulus is dood. Mijn oudste zoon.’ Ze stootte het uit als een mens dat alles had verloren. Opeens kreeg het cliché ‘een kind verliezen is het ergste wat er is’, een doorleefd gezicht en een klank.

Broer PaulusGeheimzinnige dood
Het bloedstollende nieuws duurde een paar seconden. Het huilen uren. De vragen ‘waarom’ en ‘hoe’ namen dagen in beslag en de nasleep is, sinds die koude dag op 17 december 2010, nog steeds niet over. Het was een dag waarop Nederland werd bedolven onder een dikke laag sneeuw en alles stagneerde. Aan de andere kant van de wereld, zo’n 10.000 km verderop, in een huis op zonnig Curaçao, had zich een sinister drama voltrokken. Daar was mijn broer in zijn charmante huis gevonden. Was het zijn eigen keus? Wat is eigenlijk een eigen keus? Waar worden keuzes door bepaald? Waarom dat korte rare briefje waarin ik, een week later, zijn handschrift niet herkende: ‘Het kost veel lef om laf te blijken. All the best Paulus’. Te kort voor een schrijver. Het was bovendien geschreven op een folder van de MCB-bank waarop een wervende tekst stelde dat een nieuwe lening een nieuwe toekomst belooft. Misschien herkende ik het handschrift dan niet, maar de keuze voor het briefje wel. Hoe cynisch kun je zijn? En Paulus was een vleesgeworden cynicus, die overigens met veel vallen en opstaan steeds milder was geworden. Hij was op de juiste weg. Maar ook daaraan kun je twijfelen. Is de juiste weg een weg van het plooien? Is de juiste weg een overgave aan collectief geneuzel?
Waarschijnlijk niet. De juiste weg is de weg waarop je weinig afwijkt van de mens die je bent. In die zin is zijn bidprentje goed gekozen. Daarop staat mijn broer. Het kader, een rechthoek in dunne lijn, staat haaks op zijn portret. Uitbreken. Niet voorspelbaar zijn. Niet passen in hokjes en verwachtingen van anderen. Het feest van de herkenning na de dood.

Ik had zoveel willen doen
Paulus vertrok vanuit deze wereld met 53 bijzondere en intensieve jaren op zijn levensteller. Opeens had ik geen oudste broer meer. Hij was overleden. En daarmee overleed ook de hoop dat we ooit echte zielenmaatjes zouden worden. Die diepgekoesterde wens was abrupt gestorven. Ik had zoveel willen doen, willen praten met hem. Ik had willen zeggen: ‘We zijn broers en we gaan samen strijdend dit leven door, zij aan zij.’ Ik zou… Ik had… Misschien had ik hem al eerder moeten opzoeken. Het was spijt in retrospectief. Ik realiseerde me dat tijd vooruit gaat en verloren kansen achteruit.
De laatste keer dat we elkaar zagen, was vijf jaar geleden. Paulus had via onze moeder gehoord dat mijn vriendin de wijde wereld in was getrokken, zonder herinneringen aan onze turbulente relatie in haar overvolle rugzak. Haar geluk lag voorbij de horizon en die van Thailand in het bijzonder. Ze wilde dive-master worden, wind en vooral water zouden haar optillen. Paulus schreef me. ‘Ik heb vernomen wat er aan de hand is. Kom hier op Curaçao met de instelling dat vandaag niet gisteren had moeten zijn’. Het waren de woorden van een man die grote liefde voelde voor taal en hield van het spel dat je met taal kunt spelen. Zijn boodschap was oprecht. Eigenlijk schreef hij: ‘We zijn door de tijd uit elkaar gegroeid, maar een bloedband kan te allen tijde worden hersteld’.
Bloedband. Het woord kreeg vijf jaar laten een lugubere uitleg in die slaapkamer van hem in het huis. Ik nam zijn uitnodiging aan en voor het eerst was het leeftijdsverschil van vier jaar overwonnen. Het waren dagen zonder de verleidingen van alcohol en we namen een paar intensieve momenten om elkaar onwennig af te tasten. Mannen laten hun emoties niet zien, zeker broers niet. En toch was er dat moment waarop alle verdedigingen werden doorbroken. Een kort moment van omarming waarmee alles leek opgelost, al die jaren waarin we elkaar niet wilden herkennen. Het was kort en het was goed.

Eigen weg
Curaçao, waar de droom van mijn vader ooit begon toen hij er in 1962 werd aangesteld als directeur van een technische school, en waar hij twee jaar later moest vertrekken wegens alles slopende longkanker, hervond haar schoonheid in twee mannen die elkaar opzochten. Dat was nooit eerder gelukt. Toen onze broer Frank, die qua leeftijd tussen ons in zat, plotseling gehandicapt raakte, was er een gat geslagen tussen mij en mijn oudste broer. Paulus koos als tiener zijn eigen weg, evenals ik. Hij zocht de confrontaties, ik de harmonie. Hij reed op een Kreidler, ik had een sportfiets. Hij zat op voetbal, ik op tennis, een sport voor watjes. Hij was een schrijver, ik deed mijn best. Hij was inderdaad de cynicus, ik onderdrukte die genetische afwijking zo vaak mogelijk. Hij was vader, ik nog steeds niet. Hij ergerde zich altijd aan minkukels, ik vaak. Onze werelden lagen letterlijk duizenden kilometers uit elkaar en we onderhielden zelden contact.
Ik hoorde via onze moeder dat het soms goed en soms minder goed met hem ging. Tot hij zich overgaf aan zijn fatale tweede huwelijk, was hij wellicht wat eenzaam, maar wel in balans. De liefde die hij wenste en gevonden dacht te hebben in een nieuwe vrouw, bracht hem uit balans. Ik had… Misschien had ik inderdaad vaker moeten schrijven. Misschien had ik in zijn mindere dagen, als de wanhoop toesloeg, eens naar hem toe moeten gaan. Maar hij liet zijn zwakte, lijdend onder het juk van oudere broer, nooit zien. We waren ook zo anders… En ik? Ik had mijn eigen onzin te regelen. De interviews, de banken.

Begraafplaats

Een gat in de muur
En toen, in die kille decembermaand, lag hij daar opeens: opgebaard in een koelcel van El Consolador, gekleed in een spijkerbroek, een 501, en een T-shirt van de Rolling Stones. Mijn vriendin, moeder en ik verruilden het koude winterland voor de koude werkelijkheid op een tropisch eiland. Alhoewel werkelijkheid? Het leven voltrok zich sinds het bewuste telefoontje van mijn moeder in een doos met watten. Ik zag zijn nieuwe vrouw voor het eerst. Een hoekige vrouw met hoekige stem en helblauwe ogen. Ze had de eerste zaken rondom de begrafenis geregeld. Ze was zo druk dat ze liever doorging met telefoneren toen we arriveerden op Hato, het vliegveld. Volgens een oude wilsverklaring wilde Paulus eigenlijk terug naar de Achterhoek om daar te worden begraven. Er was anders besloten. Zijn laatste plek zou een gat in een muur worden op een protestantse begraafplaats op een tropisch eiland.

Het huis van een melancholicus
Ik liep aangeslagen door zijn huis en zag alle spullen die ooit figureerden in ons gemeenschappelijke leven; een leven voordat hij naar kostschool vertrok. Ik zag het huis van een melancholicus, die oude afgeschreven zaken koesterde. Zo anders dan hij zich voordeed. Of liever: liet zien.
WijshedenOp de paal buiten op de porch had hij allerlei wijsheden van zichzelf en anderen geschreven. Aan de muren hingen portretten van zijn drie kinderen: Roos, Lis, Jasmijn. Ze staarden tweedimensionaal voor zich uit. Hij had sinds zijn vertrek naar de zon, acht jaar geleden, niets meer van hen gehoord, noch gelezen; ondanks alle verwoede pogingen die hij deed en de cadeaus en brieven die hij stuurde. De map in zijn studeerkamer sprak boekdelen. Op de rug stond ‘Post Kids uit & No in’. Op zijn prikbord hingen foto’s van Keith Richards. Hij adoreerde de levensdrift van de illustere gitarist. Daar hing ook mijn laatste kattebelletje aan Paulus. Ik had hem een paar maanden geleden een dvd van de Rolling Stones gestuurd en geschreven: ‘Ik hoorde van ma dat alles goed met je gaat. Keep it up. Rob’. Het ging helemaal niet om de dvd. Het ging om het signaal dat ik zijn keuzes en zijn levensweg begon te respecteren. In zijn woonkamer lag een enveloppe met daarop het handschrift van mijn moeder. Paulus en zij stuurden elkaar krantenknipsels en hadden er een satanisch genoegen in om taal- en schrijffouten te omcirkelen. Op de achterkant van de enveloppe had hij geschreven: ‘Rob email. Kronkel Telegraaf’. Hij wilde graag, à la zijn grote voorbeeld Simon Carmiggelt, een column in de krant. Hij heeft me die email nooit gestuurd. Had hij het maar gedaan…

Verbroedering
Hoe langer ik door zijn huis liep, hoe meer ik van zijn hand las en hoe meer ik met mensen in zijn omgeving sprak, des te meer realiseerde ik me hoezeer we eigenlijk op elkaar leken. Ons verschil was eigenlijk minimaal. Een bewustwording die door zijn kennissen en vrienden werd bevestigd. ‘Jullie lachen hetzelfde. Jullie willen vrijheid. Jullie schieten woorden af als kogels.’ Het feest van de herkenning werd het verdriet van de herkenning. Je blijft dan achter met een wens: was vandaag maar gisteren, dan zou ik alles beter doen.’

Tekst Rob Hammink

Deel op:

2 reacties

  1. Dear Rob I heb vandaag besuck gehad…. mijn Nederlands is niet goed maar voor Jou en Ria Mange Kærlige tanker ….jij hoor van Ad en Gonn…Kærlig hilsen Karen

Laat een reactie achter

dima