Volgens Frank Boeijen (57) is het leven één groot afscheid. “Maar als je daarvan doordrongen bent, kun je een heel leuk leven leiden.” Voor toBe reageert de zanger, componist en liedjesschrijver persoonlijk op vijf algemene wijsheden over leven en dood.

Wie is Frank Boeijen? 
Geboren: 27 november 1957
Woonplaats: Nijmegen, samen met 
vriendin Agnes
Beroep: zanger, componist, liedjesschrijver, tekstdichter, producent 
Bekend van: liedjes als Linda, Zwart Wit (naar aanleiding van de racistische moord op Kerwin Duinmeijer in 1983), Kronenburg Park, De Verzoening, Zeg Me Dat Het Niet Zo Is, Vaderland, in totaal 31 albums, begin 2016 verschijnt een nieuw album
Onderscheiding: Ridder in de Orde van Oranje Nassau voor onder andere zijn 
verdiensten binnen de Nederlandse 
popmuziek en literatuur
Wil: begraven worden in een loden kist, 
liefst boven de grond. En géén muziek op 
zijn uitvaart

1) Leven en laten leven
“Mijn ouders hebben de oorlog meegemaakt. Zij hebben ervaren wat het betekent om niet vrij te zijn. Mijn vader zat ondergedoken, mijn moeder bleef achter met kleine kinderen. ‘Dat nooit meer’, zeiden ze. Sindsdien stond vrijheid hoog in het vaandel. En zo zijn wij ook opgevoed. Het was een relaxed nest in een arbeidersbuurt. In ons gezin – ik ben de jongste van tien kinderen – waren én het katholieke geloof én het socialisme belangrijk. Elke zondag gingen we naar de kerk. Maar mijn ouders zeiden altijd: ‘Jezus was de eerste socialist. Niet iemand die je op een akelige manier in de gaten houdt.’ Die visie was en is heel belangrijk voor mij. Toen ik een jaar of dertien was, vroeg mijn vader of ik nog meewilde naar de kerk. Eigenlijk niet, zei ik. Dat was geen enkel probleem. Hij liet ons vrij.

We zijn opgevoed met de opdracht ons altijd te verplaatsen in een ander. Niet direct oordelen, maar proberen te begrijpen waarom iemand zich zo gedraagt. Mensen zíjn niet raar, ze gedrágen zich raar. Na de basisschool gingen mijn vriendjes naar de ambachtsschool en ik naar het gymnasium. Mijn vader waarschuwde me: ‘Frank, niet iedereen is zoals jij.’ Dat wist ik. Maar ik was toch enorm verbaasd dat mensen zo anders waren dan ik. En anders dachten. Ik had lange haren, was die jongen met die gitaar. Dat vonden de leraren niet leuk. Daardoor heb ik er rare toestanden meegemaakt. ‘Niet iedereen is zoals jij’: dat geldt voor iedereen. Maar in de buurt waarin ik opgroeide, werd meer geleefd volgens die overtuiging dan op de school waarop ik zat. Dat was allemaal zo conservatief. 

Leven en laten leven ja… Aan de andere kant heeft de wereld wel een sociale basis nodig, vind ik. Kijk nou naar al die vluchtelingen. Die mensen hebben een afgrijselijke reis achter de rug, zijn aan alle kanten getraumatiseerd en dan blijkt het paradijs hier een hel te zijn. Ze willen gaan werken, maar dat mag niet. Ze worden gedwongen jaren niks te doen, terwijl ze vaak hoogopgeleid zijn. Daar word je toch helemaal gék van? Natuurlijk is het complex en zijn er regels nodig. Maar Nederland ís al een multiculturele samenleving. Zo is onze geschiedenis. Het is niet meer terug te draaien en zo moet het ook zijn. En als je dan naar andere landen kijkt: Duitsland verwacht dit jaar bijna een miljoen immigranten op te nemen en doet het ‘t beste in Europa. Rara, hoe kan dat? De talenten van die mensen worden gebruikt, daar bloeit de economie van op. Plus wat er nog meer aan de hand is: wij hebben die landen jarenlang leeggeroofd. Ik denk dat we wel iets mogen terug doen. Of niet? De ontwikkelingshulp wordt alsmaar minder, terwijl je juist daarin zou moeten investeren om geen reden te hebben hiernaartoe te komen. Nou ja, zo kan ik nog wel even doorgaan… It is time to pay back, darlings.”

2) Leven alsof het je laatste dag is
“Dat geldt zeker voor optredens. Bruce Springsteen zei dat eens, dat je altijd moet optreden alsof het je laatste keer is. Een beetje Amerikaans natuurlijk, maar ik vind wel dat je altijd je best moest doen. Met hart en ziel. Ik ben trouwens een hele tijd bezorgd geweest dat mijn beroep zou ophouden te bestaan. Het is mijn vak om mooie platen te maken en op te treden. Maar die platen worden niet meer gemaakt en optredens worden gestreamd. Daarbij had door de crisis niemand meer geld om naar theaters te gaan. Het gevoel bekroop me dat ik afscheid moest nemen van wat ik maak. Idioot idee vond ik dat. 

Ik zit nu in een goede tijd. We zijn bezig met een nieuw album, de optredens zijn leuk. Mensen besteden weer meer geld aan uitgaan. Ik voel mezelf in balans. Ik ben een bevoorrecht mens. Ik maak een beetje muziek, kan ervan leven, mensen vinden het leuk wat ik doe. Wat wil je nou nog meer? Maar soms vind ik dat niet goed genoeg. Dan denk ik: wat heb ik nou eigenlijk uitgespookt, het stelt niks voor. Ik kan wel worstelen, ja.”  

 3) Het leven is lijden
“Toen ik vijftien was, in 1972, heb ik drie weken in bed gelegen. Ik werd beïnvloed door het existentialisme – dat het leven helemaal geen zin heeft – en las er veel boeken over. ‘Het lijden van de jonge Werther’ bijvoorbeeld, waarin ik ontdekte: ik kan dus ook een einde aan mijn leven maken. Dat is zo’n klassiek besef hè. Bovendien gebeurde het ook in mijn wijde omgeving. Sindsdien ben ik een existentialist, de zin van het leven is voor mij de dood. Het leven is eigenlijk één groot afscheid. Maar als je daarvan doordrongen bent, kun je een heel leuk leven leiden hoor! 

Na dat besef ging het ook de goede kant op met me en besloot ik na die drie weken: ik ga gewoon leven! En ik ga het op mijn eigen manier doen, want ik had natuurlijk ook allemaal puberproblemen in die tijd. Verwachtingen die niet werden ingelost. Van mijn ouders, van school. Het besef dat de wereld vol lelijke dingen zit. Daar kun je aan ten onder gaan of je doet het op je eigen manier. Ik heb nooit meer iets met onderwijs te maken willen hebben. Dat is gelukt. Het kan ook zonder, hoor. Ga je gewoon naar de bibliotheek. 

In de tweede helft van de jaren negentig ben ik ook veel bezig geweest met de dood. Ik liep tegen de veertig en mijn beide ouders waren net overleden. Op het album dat ik daarna maakte – De Ballade Van De Dromedaris – heeft bijna elk nummer te maken met afscheid. Voor mijn ouders kwam de dood als een verlossing uit hun lijden. Ze waren ziek, het lichaam was op. Maar nu ze dood zijn, mis ik de onvoorwaardelijke liefde. Dat wat je ook doet, je altijd bij je ouders terechtkunt. Zo was het bij mij tenminste. Dat gevoel had ik. Maar dat is er niet meer. Nou… ik kan bij mijn broers en zussen terecht. Dat is bijna hetzelfde, maar niet helemaal. In De Wind Nam Hem Mee zit ook dat besef dat het onmogelijk is een dode te vervangen. De dood is zo definitief. Dat is lastig te volgen voor het brein. Je ontwikkelt van die mechanismen om de overledene bij je te houden. Je richt een altaartje in, bewaart kleren. Van die stadia, en die duren allemaal heel lang. Maar op een gegeven moment besef je: hij is er echt niet meer. 

Dood heeft bij mij ook altijd met schuld te maken. Dat komt door mijn christelijke achtergrond. Bij zelfmoord denk ik: had ik het kunnen voorkomen? Bij mijn ouders vraag ik me af of ik ze veel pijn heb gedaan tijdens mijn puberteit. En bij vrienden of ik niet vaker langs had moeten gaan op het laatst. Muziek helpt me dan. Ik luister de hele dag naar muziek. Als mensen troost halen uit mijn liedjes, vind ik dat prachtig. Muziek kan je zo diep raken. Ik heb daar wel eens discussies over met beeldend kunstenaars. Beeldende kunst is een andere emotie. Ik ben van de trommelvliezen, zij van de netvliezen en de tactiliteit. Ik heb wel een kunstwerk dat me diep raakt: de Pietà, de Heilige Maagd met het lichaam van haar overleden Zoon op schoot. Dat drukt het wel een beetje uit – het ondraaglijk verdriet. Dat vind ik een zeer magistraal beeld. 

Misschien is dat ook wel de reden dat ik geen kinderen heb, omdat ik te bang zou zijn om ze te verliezen. Of om afscheid van ze te nemen, snap je, als ik zelf dood ga. Ik heb er bewust voor gekozen geen kinderen te krijgen. Maar ik ben heus wel eens jaloers als ik een man van mijn leeftijd met zijn dochter of zoon zie lopen. Of een biertje in de kroeg zie drinken. Vind ik wel leuk hoor. Net zo’n gevoel als met je broer ofzo. Iemand die je volledig vertrouwt. En zo houd je natuurlijk contact met jonge mensen. Bij ons thuis was het altijd gigantisch druk. Ik vind dat leuk, ben graag onder de mensen. Ik zou ook niet alleen willen leven, heb ten minste één iemand nodig met wie ik mijn leven deel. Een grote liefde met wie je een geschiedenis opbouwt. Waarmee je kunt ‘zijn’ zonder te praten. En bij wie je vervelend kunt zijn zonder er direct te worden uitgeschopt! Onvoorwaardelijke liefde ja, dat is met kinderen misschien ook wel zo.”

Ik geloof in elk geval niet in een leven na de dood. Ik ben ervan overtuigd dat er niets na komt. We moeten het nu leven. Veel mensen om mij heen zijn gestopt met roken. Om langer te leven. Maar wie zegt dat? Er helpt geen moedertjelief aan. Er helpt eigenlijk helemaal niks. Ik kan nu naar buiten lopen en omver worden gereden door een vrachtauto. Als je het idee hebt dat je ziek bent, moet je dat laten checken. Maar om nou allerlei dingen te laten omdat die dingen je leven zouden verkorten, daar geloof ik niet zo in. Ik denk wel dat stress een killer is. Een veel grotere killer dan dit… [wijst naar z’n sigaret]Ik ben van de jaren tachtig. Van de generatie van drank en drugs. Je moet vooral weten hoe je het moet gebruiken. Dat het niet jou gebruikt. Maar als je je voortdurend opgejaagd voelt en je moet presteren… Ik spreek uit ervaring hè. In 1987 ben ik gestopt met bijna dagelijks optreden. Het was te veel. Daarom is het goed dat ik in Nijmegen ben blijven wonen. Ergens anders was ik wellicht aan mijn eigen mythe ten onder gegaan. Te druk, middelen gebruiken om het aan te kunnen, vrienden niet meer zien…

Ik ben het gelukkigst als ik me rustig voel. Niet opgejaagd. In evenwicht. Zien hoe mooi het is waar je bent. Daarom houd ik ook zo van het oosten. Mensen in Azië bezitten vaak een soort evenwichtigheid in hun emoties. Ik word daar heel rustig van. Al worden anderen juist heel onrustig van die ogenschijnlijke traagheid: ‘I want it now!’ ‘Yes, yes’. Haha! En dan duurt het nog een uur.”

5) Over de doden niets dan goeds
“Ik ben iemand van de straat. Wij schieten niet iemand neer die machteloos is. Dat is een laffe actie. Een dode kan zich niet verdedigen. Daarom spreek je op een afscheid niet negatief over die persoon. Dat past niet. Vind ik. Niet op dat moment. Zeg dan niks. Ook vind ik dat we verplicht zijn goed voor het omhulsel te zorgen, omdat de overledene dat zelf niet meer kan. En dat heb ik vaak fout zien gaan hoor. Werd de overledene thuisgebracht om opgebaard te worden. Openden we de kist, stond zijn neus helemaal scheef. Gewoon niet goed opgelet. Dat was natuurlijk vreselijk. Iedereen in alle staten. In één beweging zette ik die neus recht. Hop! Dat moet je dan doen. Elke dag even opmaken, zorgen voor een goede airco als het warm is, een koelplaat, gewoon goed opbaren.

Er gingen in onze familie op een gegeven moment veel mensen dood. Mijn schoonzusje, mijn zwager, mijn ouders. Ik durf wel te zeggen dat ik er iets van weet, vooral van de praktische kant van de zaak. Op een gegeven moment zei ik tegen mijn broers en zussen dat we net zo goed een begrafenisonderneming konden starten: Boeijend naar boven. Haha! Maar serieus, het is ook belangrijk dat de afscheidsdienst goed is. Dat nabestaanden kunnen terugkijken op een mooi afscheid, een eerbetoon. Als dat niet zo is, betekent het eigenlijk dubbelop verdriet. Bij de planning van zo’n dienst vind ik overigens dat de ‘koude’ kant zich erbuiten moet houden. Dat vinden ze niet leuk om te horen, maar dat is gewoon zo. Met je eigen broers en zussen is het al lastig genoeg. Iedereen is geëmotioneerd. Bij verdriet ligt woede vaak heel dichtbij. Iemand heeft mij weleens gezegd dat woede de achterkant is van verdriet en andersom. Mensen kunnen dan ook ineens heel kwaad worden. ‘Hij hield helemaal niet van gele rozen’, roept iemand dan. Dat wordt dan opeens heel belangrijk. ‘Een mis, een mis? Hij ging nooit naar de kerk.’ Maar als degene die dood is dat wilde, moet je dat toch gewoon doen?

Als iemand komt te overlijden volgen er vier, vijf hectische dagen met vaste stadia. De adressen moeten worden verzameld, er moet worden bepaald waar er wordt opgebaard, er komt bezoek, die moeten koffie, het is druk. Daarna gaat de kist dicht, wordt de kist opgehaald, volgt de afscheidsceremonie en de koffietafel. Daar is iedereen weer een beetje opgelucht en daarna begint de echte ellende. Dan kun je er alleen maar – en dan komt er een enorm cliché: zíjn voor iemand. Luisteren, rondrijden, wandelingetje, etentje… als dat gaat. Met de jaren wordt het vaak alleen maar erger. Weet je wat het is met de dood? We doen het allemaal op onze eigen manier. Ik ken iemand die na dertig jaar nog lijdt onder de dood van haar man én iemand die na een jaar iemand anders had. Zelf wil ik begraven worden in een loden kist zodat er niet direct allerlei diertjes bij kunnen. Dat idee vind ik ook voor mijn nabestaanden niet zo prettig. Bovengronds begraven lijkt me wel wat, in zo’n huisje. Het liefst op de begraafplaats van mijn ouders. In die kerk wil ik ook de mis. Een eucharistieviering met alles erop en eraan – liefst met een homoseksuele, zwarte priester, ik heb al iemand op het oog – hoewel ik niet gelovig ben. Maar dat is onze cultuur. Ik ben er misdienaar geweest. Daar komen we vandaan. Kijk, hier vlakbij is ook een heel mooie begraafplaats: Heilig Landstichting. Heel groen. Heuvelachtig. Prachtig. Maar dat is een heel andere klasse. Ik wil terug naar waar ik vandaan kom.”

Wat ik alleen níet wil, is muziek op mijn begrafenis. Dat vind ik vaak vreselijk. Het is net als in een film. Het is heel makkelijk om met muziek de emoties van mensen te bespelen. Het leidt af. Zonder muziek is de beleving neutraler. Ik heb gezongen op de begrafenis van Ramses Shaffy en op die van mijn zwager. Maar zingen op begrafenissen doe ik niet meer. Ik kan het niet. Ik vind het te zwaar. Iets klopt daar gewoon niet aan, ik weet niet precies wat. Eigenlijk vind ik alle muziek die ik bij uitvaarten heb meegemaakt storend. Maar ik ben een muzikant hè? Dan klinkt het slecht. Dus iedereen ergert zich. Zorg ik voor een goede installatie en dan klinkt het soms nog slechter, want er is iets misgegaan. Haha! Nee, geen muziek dus op mijn begrafenis. Vind ik wel grappig: Frankie zingt niet meer.

Over mijn uitvaart heb ik dus wel nagedacht. Mijn dierbaren weten hoe ik het wil. Maar verder maakt het mij niet uit hoe ik word herinnerd. Ik ben er toch niet meer. Ik wil vooral mijn geliefde goed achterlaten. Als mijn liedjes goed worden geëxploiteerd, is dat leuk voor haar. Zodat zij verder kan met leven.”

Tekst Maaike Kuyvenhoven & Laura Thuis – Fotografie Jasper Bosman

Deel op:

6 reacties

  1. Mooi hoe Frank zich kwetsbaar opstelt en de lezer de kans geeft om hem beter te leren kennen.

  2. Joni Jill on

    Sluit mij volledig aan bij bovenstaande reacties. Het artikel raakt. Erg mooi en treffend. Een ware dichter. Gisteren bij het theateroptreden van Frank in het Zaantheater geweest. Een moment van bezinning. Werkelijk prachtig!

  3. Wat zou ik heb gedaan om mijn man terug als niet voor de hulp van dokter Okumu.I krijgen was in totaal verwarring toen mijn man me scheiden en zei dat hij moe van mij was, mijn leven was niets zonder hem en ik probeerde alles wat ik kon om maken hem de scheiding te annuleren, maar hij zei dat zijn besluit stond vast en dus moeten we onze eigen weg te gaan. Ik was in schaamte en pijn toen mijn vriend vertelde me hoe Doctor Okumu helpen haar reunit haar gebroken huis met zijn ban, dus ik haastig contact Doctor Okumu en hij vertelde me dat mijn man terug zal komen om me smeken me om hem terug te accepteren. Ik heb alle Doctor Okumu vroeg me om te doen en 12 tot 16 uur laatste kwam mijn man terug naar mij huilen en viel op zijn knieën en smeekte me om hem te vergeven en ik vergaf hem snel en sindsdien hebben we geleefd happily.Are u in ieder probleem en hulp nodig? Contact Doctor Okumu vandaag voor hulp via e-mail: doctorokumuspelltemple@gmail.com of via de website: http://doctorazuaworldofpowerfulspell.webs.com

Laat een reactie achter

dima